2.3.1. Onderdelen van het psychologisch rapport

2.3.1. Onderdelen van het psychologisch rapport

Het psychologisch rapport is het (eind)product van het psychodiagnostisch onderzoek. De inhoud van het psychologisch rapport is afgestemd op de vraagstelling en bevat tot één of meerdere personen herleidbare bevindingen, beoordelingen of adviezen (artikel 1.16 ‘Rapportage’). De inhoud van het rapport zal kunnen verschillen, afhankelijk van de degene waarvoor het rapport bedoeld is. In de behandelcontext is het rapport primair bedoeld voor de cliënt, deze is immers ook de opdrachtgever (artikel 88 ‘Rapportage in opdracht van de cliënt’). In bijvoorbeeld het onderwijs, bij selectieprocedures of rapportages over sociale zekerheidskwesties is er meestal sprake van rapportage aan een derde (externe) opdrachtgever (artikelen 89 ‘Toestemmingsvereiste voor rapportage aan derden’, 90 ‘Rapportage aan derden’ en 92 ‘Mondelinge rapportage aan een derde’ ) Ook in dat geval wordt er vanuit gegaan dat de cliënt zelf in staat moet zijn het rapport te begrijpen. Deze heeft in principe ook het recht om de rapportage als eerste in te zien (artikel 91 ‘Gelegenheid tot inzage voorafgaand aan de rapportage’) en te besluiten of het rapport naar de externe opdrachtgever mag worden gestuurd (artikel 94 ‘Blokkeren van de rapportage aan de externe opdrachtgever’). In bepaalde gevallen kan het doel van de rapportage of de vertrouwelijkheid ten opzichte van anderen er toe leiden dat geen beroep kan worden gedaan op het inzage- en blokkeringsrecht (artikel 95 ‘Inzage- en blokkeringsrecht bij rapportage over een cliëntsysteem) of dat dit recht wordt beperkt.

 

Het psychologisch rapport bevat over het algemeen de volgende elementen :

  1. Datum onderzoek, naam, sekse en geboortedatum cliënt.
  2. Herkomst en beschrijving van de vraagstelling (opdracht).
  3. Verloop van het onderzoek.
  4. Gebruikte psychodiagnostische instrumenten (bronnen van informatie, zie hierna).
  5. Anamnese/Intakegegevens.
  6. Resultaten van het onderzoek, waaronder observaties en inclusief de onzekerheidsmarges waarmee de resultaten zijn omgeven.
  7. Samenvatting
  8. Conclusie en uitspraak/advies.
  9. Geldigheidsduur van de verschillende onderdelen van het rapport, waaronder de testresultaten.
  10. Naam van de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het psychodiagnostisch onderzoek plaatsvond. Het is aan te bevelen het rapport door de verantwoordelijke te laten ondertekenen.
  11. De bewaartermijn van de testgegevens en het psychologisch rapport in het dossier.

 

In het psychologisch rapport zijn de afzonderlijke bronnen van informatie herleidbaar (artikel 97 ‘Rapportage beperken tot noodzakelijke gegevens’). Het expliciet benoemen van de naam van de gebruikte psychodiagnostische instrumenten in het rapport is noodzakelijk; dit kan in de tekst van de rapportage of in een bijlage. Hiermee wordt de cliënt in staat gesteld om de kwaliteit van de gebruikte instrumenten te kunnen beoordelen. De keuze van de normgroep moet duidelijk worden vermeld en gemotiveerd.

 

De uitspraken in het rapport dienen in ieder geval zorgvuldig onderbouwd te worden. De psycholoog beperkt zich in rapportages tot het vermelden van die gegevens en beoordelingen die voor het doel van de rapportage noodzakelijk en relevant zijn. De conclusies hebben alleen betrekking op de aan de rapportage ten grondslag liggende doel- of vraagstelling (artikel 28 ‘Voorkómen van onbedoeld gebruik en misbruik van rapportage’). In artikel 97 ‘Rapportage beperken tot noodzakelijke gegevens‘ staan de minimale kwaliteitseisen vermeld waaraan rapportages dienen te voldoen. Deze komen grotendeels overeen met de onderstaande eisen die volgens vaste jurisprudentie van verenigingstuchtrechtelijke instanties en tuchtcolleges voor de gezondheidszorg op grond van marginale toetsing aan rapportages worden gesteld. De hieronder bij 5. genoemde eis van deskundigheid is te vinden in artikel 103 ‘Grenzen van de eigen deskundigheid’.

 

  1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust.
  2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden.
  3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.
  4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen.
  5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

 

Daar waar (onbedoeld) onoordeelkundig gebruik gemaakt kan worden van absolute scores door leken, zoals bij de uitslagen van intelligentietests, is het beschrijven van betrouwbaarheidsintervallen van belang.

 

Ruiter, Hurks en Timmerman (2017) geven in hun artikel ‘IQ Score is dringend aan modernisering toe’ een duidelijke toelichting op het interpreteren van een betrouwbaarheidsinterval bij een testscore:

 

´Om een betrouwbaarheidsinterval goed te kunnen interpreteren, is het goed om iets meer te weten over de theorie rond meetfouten. Het idee is dat iedere test een bepaalde meetonnauwkeurigheid heeft. Volgens de klassieke testtheorie is iedere geobserveerde testscore (X) opgebouwd uit een betrouwbaar deel, ook wel ware score (T) genoemd, en een deel dat te wijten is aan de meetfout (E). Dat wil zeggen dat iedere individuele score op een test beïnvloed wordt door zowel het niveau van de persoon (wat we willen meten, de ware score) als door een meetfout (wat we niet willen meten). De ware score is hierbij simpelweg gedefinieerd als de gemiddelde geobserveerde score over (vele) herhaalde testafnames van dezelfde persoon, waarbij het niveau van de persoon hetzelfde blijft. Dit laatste is in praktijk natuurlijk onmogelijk, want bij herhaalde testafnames zullen altijd herinnerings-, leer-, en vermoeidheidseffecten een rol gaan spelen. Dit betekent dat in de praktijk bij herhaalde afnamen de ware score verandert, en dus dat de meetfout niet te scheiden is van de ware score. We kunnen dan ook nooit bepalen welk deel van een geobserveerde score te danken is aan het niveau van de persoon, en welk deel te wijten is aan de meetfout. Dat betekent dat we nooit in staat zijn om exact weer te geven wat het niveau van de persoon is. Wat we wel kunnen doen, is uitdrukking geven aan de mate waarin een geobserveerde score in het algemeen beïnvloed wordt door de meetfout. Deze invloed wordt uitgedrukt als de betrouwbaarheid van een test (in het Engels: reliability). Hoe hoger de betrouwbaarheid van de test, hoe kleiner de meetfouten in het algemeen zijn