Werken met kwaliteitsstandaarden

In de praktijk is het geven van goede zorg soms een complex afwegingsproces. Als professional pas je naast je eigen professionele expertise en ervaring verschillende kennisbronnen toe zoals kwaliteitsstandaarden (richtlijnen, zorgstandaarden, generieke modules), ervaringen en voorkeuren van de patiënt.

Vakmanschap

Een deel van de werkelijkheid is niet te vatten in een kwaliteitsstandaard. Een kwaliteitsstandaard beschrijft nooit de volledige werkelijkheid. Zo is er sprake van heterogeniteit binnen een aandoening: de ene depressie is de andere niet. Ook kan er overlap bestaan tussen verschillende stoornissen. Daarom vereist werken met kwaliteitsstandaarden vakmanschap. Als omwille van de kwaliteit van zorg vereist is om af te wijken van een kwaliteitsstandaard, dan moet dat zelfs, mits gemotiveerd. Daarnaast kunnen er contextuele factoren zijn om in het belang van de cliënt af te wijken van de richtlijn.

Samen beslissen

Als voorkeuren van de professional en cliënt niet overeenkomen, dan is het een hele opgave om feiten en waarden te scheiden bij het voorleggen van de keuze opties. Enerzijds om te voorkomen dat professionals hun eigen normenkader opleggen, anderzijds omdat het al te zeer respecteren van de voorkeuren van de patiënten hun eigen oordeelsvorming onder druk kan zetten. Uitgangspunt is dat je verplicht bent je te houden aan de voor jou geldende professionele standaard (beroepscode, vakinhoudelijke kwaliteitsstandaarden etc.). Hierbij is het de bedoeling dat je jezelf afvraagt wat in deze situatie voor deze cliënt de aangewezen weg is. Daarover beslis je samen met de cliënt, zodat keuzes gemaakt worden op basis van de kennis die de behandelaar en cliënt samen hebben over de meest effectieve aanpak (shared decision making of samen beslissen). Kwaliteitsstandaarden kunnen houvast bieden in het samen beslissen met de cliënt. Professionals stemmen het hanteren ervan af op de context van de patiënt en diens voorkeuren en behoeften. De leefwereld, het levensverhaal, de wensen en de prioriteiten van de cliënt zijn leidend, evenals de eigen krachten en eigen ervaringsdeskundigheid en hulpbronnen in de directe omgeving. Kenmerkend is een gelijkwaardige relatie tussen professional en cliënt. Het voorkómen van machtsongelijkheid en onnodige afhankelijkheidsrelaties vergt daarbij blijvende aandacht. Het vergt voortdurend reflectie op het eigen handelen op hoe je de verbinding maakt tussen de waarden (goede zorg) en praktijk. Het werken met richtlijnen en zorgtandaarden vergt dus ook continue leren en verbeteren. Het toepassen van spiegelinformatie (zoals bijvoorbeeld ROM-uitkomsten) kan zorgen voor die verbinding.

Professionele autonomie

Dit alles vraagt een grote mate van professionele autonomie. Professionele autonomie betekent niet dat je zomaar kan doen wat je goed dunkt. Autonomie is de professionele bewegingsruimte die je hebt binnen de geldende beroeps(ethische) normen. Ruimte die je nodig hebt om naar eigen oordeel maatwerk te kunnen leveren. Autonomie gaat gepaard met grote professionele verantwoordelijkheid. Om hieraan goede invulling te geven, dienen professionals goede scholing, werkbegeleiding, supervisie en/of intervisie te krijgen. Ook professionals die ervaren zijn, moeten voldoende ruimte hebben om met collega’s te kunnen overleggen en/of de expertise van andere professionals te kunnen inroepen. Professionele autonomie brengt met zich mee dat je reflecteert op je handelen en je bij beroepsethische kwesties inspant om het goede te doen (beroepscode NIP, art. 30). Het kan daarbij helpen om de beroepscode te raadplegen, overleg te voeren met collega’s en/of advies in te winnen bij adviseurs beroepsethiek van het NIP.

Juridische betekenis van kwaliteitsstandaarden

Kwaliteitsstandaarden hebben geen juridische status, zoals wetten of op wetten gebaseerde regels. Ze kunnen wel juridische betekenis hebben. Daarvoor moet de richtlijn of zorgstandaard door de beroepsgroep (middels beroepsverenigingen) worden onderschreven en geautoriseerd. Beroepsverenigingen zijn representatief voor de beroepsgroepen die werkzaam zijn in een bepaald werkveld. De juridische betekenis van een kwaliteitsstandaard hangt ook af van diens praktische bruikbaarheid. Hij moet bijvoorbeeld niet te vaag of te algemeen gesteld zijn. Hij dient aan te geven waarop hij precies betrekking heeft, zonder zo ‘dichtgetimmerd’ te zijn dat er weinig of niets van de professionele autonomie en eigen verantwoordelijkheid van de professional overblijft. Kunnen professionals in de praktijk goed met de kwaliteitsstandaard uit de voeten, dan zegt dat iets over de kwaliteit en daarmee de waarde ervan.

Afwijken van kwaliteitsstandaard

Uitgangspunt is dat kwaliteitsstandaarden, als uitdrukking van wat er in het werkveld door de beroepsgroep als goed professioneel handelen wordt beschouwd, door de professional worden toegepast. Kwaliteitsstandaarden zijn niet vrijblijvend, maar ook geen ‘dictaat’. Het adagium is ‘pas toe of leg uit’, dat wil zeggen: de beroepsbeoefenaar kán er, in een uitzonderingssituatie, wanneer deze dat wenselijk of noodzakelijk vindt, van afwijken. Hij móet er zelfs van afwijken als daarmee – naar zijn professioneel oordeel – de belangen van de cliënt beter zijn gediend. Het is van groot belang dat de beroepsbeoefenaar kan motiveren en zorgvuldig onderbouwen waarom hij van de kwaliteitsstandaard is afgeweken. Deze onderbouwing dient ook in het dossier van de cliënt te worden opgenomen. Op deze manier kan de professional verantwoording afleggen van zijn beroepsmatig handelen, niet alleen tegenover de cliënt,  maar eventueel ook bij de klachten-of geschillencommissie of voor de tuchtrechter.