Inleiding

Door middel van een afname van een psychodiagnostisch instrument komt een persoon die wordt onderzocht op een gestandaardiseerde wijze (in)direct aan het woord. Voor een te onderzoeken persoon wordt in de psychologische professie de term ‘cliënt’ gebruikt. Hieronder worden alle typen te onderzoeken personen begrepen, zoals leerlingen, sollicitanten en patiënten. Onder ‘psychodiagnostische instrumenten’ wordt verstaan: instrumenten ter bepaling van iemands eigenschappen, met het oog op uitspraken omtrent die persoon, in het kader van advies aan die persoon zelf, of aan anderen met betrekking tot die persoon, in het kader van behandeling, ontwikkeling, plaatsing of selectie2. Deze psychodiagnostische context staat centraal in de AST-NIP. Dat neemt niet weg dat ook aan instrumentgebruik en -gebruikers in andere contexten wetenschappelijke en professionele eisen dienen te worden gesteld.

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat voor het doen van psychologische uitspraken over een persoon of een groep personen het gebruik van psychodiagnostische instrumenten belangrijke voordelen heeft boven een ‘ongewapend oordeel’ zoals individuele ervaring, intuïtie, gevoel, inleven of meeleven, zie BOX 1 en 2. Vergeleken met de werkwijze bij ‘ongewapende oordelen’ zijn de resultaten bij het gebruik van psychodiagnostische instrumenten veelal betrouwbaarder, meer valide, beter reproduceerbaar en objectiever. Bovendien is aannemelijk te maken dat psychodiagnostische instrumenten efficiënter in het gebruik zijn. Daarbij komt ook dat deze instrumenten idealiter zijn genormeerd, zodat een cliënt vergeleken kan worden met op relevante kenmerken vergelijkbare personen.

De voorwaarden voor een goede testkeuze en goed testgebruik worden ook in de AST-NIP besproken. Het is essentieel dat een psychodiagnostisch instrument voor het juiste doel wordt ingezet en op de juiste manier wordt afgenomen. Bij ondeskundig gebruik kan met een psychodiagnostisch instrument namelijk schade worden aangericht, waardoor testgebruik leidt tot pseudowetenschap en misleiding van cliënt en opdrachtgever. Bovendien kan men niet blindvaren op psychodiagnostische tests. Diagnostiek is altijd meer dan alleen testtoepassing. Psychodiagnostische instrumenten zijn dus hulpmiddelen voor wetenschappelijk opgeleide psychologen die zich van zowel de voordelen als de beperkingen bewust zijn.

 

Benadrukt wordt dat het onjuist is het toepassen van psychodiagnostische instrumenten gelijk te stellen aan psychodiagnostisch onderzoek. De ‘juiste toepassing van een psychodiagnostisch instrument’ duidt erop dat het testgebruik onderdeel uitmaakt van een psychodiagnostisch proces en niet een op zichzelf staande activiteit is. Een psycholoog dient altijd te kunnen verhelderen hoe de relatie is tussen het gebruikte psychodiagnostisch instrument en de vraagstelling. Ook dient de psycholoog altijd te kunnen verhelderen hoe de relatie is tussen de testresultaten en de uitspraken die hij3 op grond daarvan doet. Daarbij dienen die resultaten steeds te worden betrokken op de cliënt.

Juist gebruik en keuze van psychodiagnostische instrumenten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de psycholoog. Er kan in bepaalde mate richting worden gegeven aan het verantwoord gebruik en de keuze van psychodiagnostische instrumenten door het formuleren van een standaard hiervoor. Professioneel testgebruik houdt enerzijds in dat die standaard ook inderdaad als richtinggevend fungeert. Anderzijds houdt professionaliteit in dat in concrete gevallen van de standaard kan worden afgeweken. Indien men van de standaard wil afwijken, wordt aanbevolen dit vooraf in collegiaal verband te bespreken en beargumenteerd vast te leggen in het dossier. In de AST-NIP zal nader worden toegelicht onder welke voorwaarden het gebruik van psychodiagnostische instrumenten een meerwaarde heeft in het kader van de psychodiagnostiek en/of de (evaluatie van) psychologische behandelingen.

 

In de AST-NIP worden uit stilistische overwegingen de begrippen ‘psychodiagnostisch instrument’ en ‘test’ door elkaar gebruikt, waarbij ‘test’ dan ook betrekking kan hebben op bijvoorbeeld een vragenlijst, observatieschaal, toets of gestandaardiseerd interview.

In de AST-NIP worden personen in de mannelijke vorm aangeduid.