2.2.9. Toepassing psychodiagnostisch instrumenten bij speciale groepen

2.2.9. Toepassing psychodiagnostisch instrumenten bij speciale groepen

Het gebruik van psychodiagnostische instrumenten bij speciale groepen, zoals bijvoorbeeld personen met fysieke of verstandelijke beperkingen of niet-Nederlandstaligen, stelt speciale eisen aan de testprocedure. Als een cliënt tot een specifieke deelpopulatie behoort, kan dit van invloed zijn op de testresultaten, zie de onderwerpen in BOX 11 en 12.

Als een cliënt tot een specifieke deelpopulatie behoort, zal de psycholoog hiermee dus rekening dienen te houden door voorafgaand aan het afnemen van een test relevante factoren zoals culturele achtergrond, taalvaardigheid, linkshandigheid en mentale of fysieke handicaps in kaart te brengen. De professionele verantwoordelijkheid van de psycholoog om rekening te houden met de individuele eigenschappen en omstandigheden van elke cliënt is vastgelegd in artikel 58 ‘Respect voor eigenheid en diversiteit’. Ook wordt van de psycholoog een inspanning verwacht om cultuur en diversiteit te verdisconteren in zijn professionele activiteiten.

 

Het is ook van belang om deze factoren mee te laten wegen bij het selecteren van een psychodiagnostisch instrument. Zo kan bijvoorbeeld een non-verbale intelligentietest worden ingezet om het effect van taalvaardigheid of culturele achtergrond op de testuitslag te verminderen. Of dit mogelijk is, hangt wel af van het doel van de testafname, want als het meten van taalvaardigheid daarvan onderdeel uitmaakt, ligt het inzetten van een non-verbaal instrument zeker niet voor de hand. De COTAN heeft een aanvulling op het COTAN beoordelingssysteem voor de kwaliteit van tests vastgesteld, waarmee de beoordeling van het onderzoek naar fairness meer zichtbaar wordt gemaakt. Dit gebeurt door middel van een zogeheten fairnessmatrijs, waarin een gestructureerde beschrijving wordt gegeven van het onderzoek dat is gedaan naar testonpartijdigheid. Meer informatie over de beoordeling van fairness door de COTAN is te vinden op de website van het NIP.

 

De testcondities moeten optimaal zijn en het kan voor een verantwoorde testtoepassing noodzakelijk zijn te beschikken over aparte normtabellen voor deze groepen. Als er geen instrument beschikbaar is voor de specifieke deelpopulatie waartoe een cliënt behoort, dan is het van belang om bij de interpretatie van de testresultaten de factoren die mogelijk van invloed zijn op de testresultaten zo goed mogelijk te verdisconteren.

 

Ten behoeve van een psychodiagnostisch onderzoek bij mindervalide cliënten wordt de testsituatie zodanig ingericht dat deze goed toegankelijk en geschikt is voor deze cliënten. Dit betekent dus dat de testafnameplek voor deze personen ergonomisch wordt aangepast, als dat noodzakelijk is, met inachtneming van de standaardinstructies voor de testafname. De psycholoog verzekert zich ervan dat cliënten met een beperking de informatie krijgen die nodig is voor een betrouwbare testafname, waarbij uiteraard de standaardinstructies voor de testafname in acht moeten worden genomen.

 

In bepaalde gevallen schrijft een testuitgever aanpassingen voor als het instrument wordt toegepast bij cliënten met beperkingen, bijvoorbeeld het gebruik van voorleessoftware voor personen met een visuele beperking of dyslectici of het verlengen van de tijdslimiet bij tijdgebonden prestatietests voor kandidaten met dyslexie of motorische problemen.

 

Als men echter afwijkt van de standaardtestsituatie, kan dit in principe de validiteit en de betrouwbaarheid van de scores beïnvloeden. Wanneer bijvoorbeeld de normering van een instrument is gebaseerd op afname zonder tijdverlenging, dan kan het verlenen van extra tijd een testresultaat vertekenen. Testscores van een cliënt zijn immers alleen vergelijkbaar met de testscores in een normgroep als de geteste het instrument onder zoveel mogelijk dezelfde omstandigheden heeft gemaakt. In het algemeen geldt daarom dat een afwijking van de standaardtestsituatie verantwoord dient te worden en dat de invloed ervan op de testresultaten besproken dient te worden (artikel 47 ‘Zorgvuldigheid in het verkrijgen en weergeven van gegevens’). Zo is het niet verstandig om op basis van de enkele mededeling van een cliënt dat hij dyslectisch is af te wijken van de voorgeschreven standaardisatie. De psycholoog moet de dyslexie ofwel zelf hebben vastgesteld ofwel kennis hebben genomen van een dyslexieverklaring. Zo’n verklaring is een verkorte weergave van het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek waaruit blijkt dat bij de cliënt dyslexie is vastgesteld. De verklaring beschrijft op grond waarvan de diagnose is gesteld, wat mogelijke verklaringen zijn en welke belemmeringen de cliënt van de dyslexie ondervindt. Daarnaast wordt aangegeven welke behandeling, materiële voorzieningen, begeleiding en compensaties/dispensaties noodzakelijk zijn.