2.2.6 Wanneer worden psychodiagnostische instrumenten ingezet

2.2.6 Wanneer worden psychodiagnostische instrumenten ingezet

De psycholoog dient te waarborgen dat zijn beroepsmatig handelen van een goede kwaliteit is (artikel 14 ‘Zorg voor kwaliteit’). De psycholoog wordt verondersteld alleen psychodiagnostische instrumenten in te zetten als redelijkerwijs verwacht kan worden dat met deze instrumenten de kwaliteit van een uitspraak of advies over een persoon, of groep van personen, toeneemt. De afname van een psychodiagnostisch instrument wordt immers doorgaans als belastend ervaren door een cliënt en/of zijn omgeving, zoals ouders, een partner of een leerkracht, omdat dit een mentale inspanning van de onderzochte vereist. Personen mogen dan ook niet onnodig worden belast met de afname van dergelijke meetinstrumenten.

Een cliënt wordt (potentieel) onnodig belast als onder meer de keuze voor (en het nut van) het gebruik van een instrument niet verantwoord kan worden. Het gegeven dat een instelling het beleid heeft om bij iedere cliënt die wordt aangemeld altijd dezelfde test(batterij) af te nemen, is bijvoorbeeld op zichzelf geen voldoende onderbouwing. De psycholoog dient te kunnen verantwoorden waarom afname van deze test(batterij) nodig is bij deze specifieke cliënt. Tegelijkertijd dient de psycholoog te kunnen verantwoorden waarom hij er voor kiest om geen psychodiagnostische instrumenten of een specifiek instrument niet in te zetten, zie ook BOX 1 en 2 in de Inleiding.

De keuze voor het wel of juist niet inzetten van een instrument kan door de psycholoog aannemelijk gemaakt worden door verwijzing naar relevante literatuur, eigen onderzoek of deducties uit literatuur en/of (eigen) onderzoek. De kwaliteitstoename van een adviesprocedure door het gebruik van psychodiagnostische instrumenten kan blijken uit een toename van validiteit, betrouwbaarheid en/of efficiency ten opzichte van het gebruik van andere bronnen van informatie, zoals bijvoorbeeld schoolcijfers, werkprestaties, anamnesegegevens, praktijksimulatie, werkstukken of een deskundigenoordeel.

Een cliënt wordt verder (potentieel) onnodig belast als recentelijk een instrument is afgenomen met eenzelfde meetpretentie en niet aannemelijk gemaakt kan worden dat herhaling van dit onderzoek dan wel aanvullend onderzoek noodzakelijk is, zie BOX 5. Let wel: er zijn zeker omstandigheden waarin het herhaald afnemen van een psychodiagnostisch instrument met een zelfde meetpretentie te verantwoorden is. Denk bijvoorbeeld aan de evaluatie van een interventie of wanneer er behoefte is aan verdiepend onderzoek ten aanzien van een specifiek domein. In dat geval dient echter aannemelijk te worden gemaakt dat de psycholoog rekening heeft gehouden met procedure- en leereffecten, zoals bij de cliënt beschreven in BOX 5.

Een cliënt wordt ook (potentieel) onnodig belast als de psychometrische eigenschappen (zoals de betrouwbaarheid, validiteit en normering) van het instrument onvoldoende zijn voor de doelgroep waartoe de cliënt behoort (zie ook 2.2.7 ‘Principes bij de keuze van psychodiagnostische instrumenten’) en de psycholoog niet aannemelijk kan maken dat de inzet van het instrument te verantwoorden is. De psycholoog dient bij het toepassen van nieuw ontwikkelde methoden waarvan de psychometrische eigenschappen nog niet aangetoond zijn, of bij het betreden van nieuwe toepassingsgebieden zorgvuldig en voorzichtig te werk gaan (artikel 17 ‘Zorgvuldigheid en voorzichtigheid bij nieuwe methoden’). Voor een uitwerking hiervan, zie de casus beschreven in BOX 6. In deze context is het relevant te noemen dat de Beroepscode stelt dat de psycholoog naar vermogen dient bij te dragen aan het ontwikkelen van normen en standaarden in zijn vakgebied (artikel 16 ‘Professionele standaard’).

Daarnaast wordt een cliënt (potentieel) onnodig belast als bij de keuze voor een instrument onvoldoende rekening gehouden wordt met fysieke of verstandelijke beperkingen, niet-Nederlandstaligheid en niet-Nederlandse culturele achtergrond van de cliënt. Psychodiagnostische instrumenten, ontwikkeld en onderzocht op de psychometrische eigenschappen binnen en genormeerd voor cultuur- en taalgebied X, zijn bijvoorbeeld niet zonder meer inzetbaar binnen cultuur- en taalgebied Y. Ook het bewijs voor de psychometrische kwaliteiten van de psychodiagnostische instrumenten binnen cultuur- en/of taalgebied X is niet één-op-één van toepassing op cultuur- en taalgebied Y (zie ook 2.2.9 ‘Toepassing psychodiagnostisch instrumenten bij speciale groepen’).

 

De psycholoog dient volgens de Beroepscode bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie de cliënt informatie te verschaffen over de methoden van onderzoek of behandeling(en) die in aanmerking komen, wat daarvan wel en niet te verwachten is en het soort gegevens dat over de cliënt verzameld wordt. Deze informatie wordt bij voorkeur schriftelijk gegeven en waar mogelijk mondeling toegelicht (artikel 63 ‘Informatie bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie’). De Beroepscode (in het bijzonder artikel 59 ‘Respect voor autonomie en zelfbeschikking’; artikel 63 ‘Informatie bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie’ en artikel 65 ‘Overleg over invulling van de professionele relatie’) biedt ruimte aan de cliënt om diens wensen en mening mee te laten wegen bij de keuze of en zo ja welke instrumenten ingezet worden om eigenschap X (bijvoorbeeld intelligentie of prestatiemotivatie) te meten en/of hoe diepgaand het onderzoek gaat. Zie de casus beschreven in BOX 7. Dit weerspiegelt een spanningsveld tussen het zelfbeschikkingsrecht van de cliënt versus de professionele verantwoordelijkheid van de psycholoog, dat onder andere ook speelt in de geneeskunde.