Seminar: WODC-recidiveonderzoek forensische zorg

Voorkomen van delictrecidive is niet de enige maar wel de eerste opdracht voor de forensische zorg (FZ). Dan ligt het voor de hand dat men onderzoek doet naar de omvang van de recidive. Waarom is de recidive monitoren door WODC opgezet. In zijn algemeenheid betekent monitoren  ‘op de voet volgen om veranderingen te kunnen zien en eventueel maatregelen te kunnen nemen’. De doelstelling van het recidive onderzoek is:

 

  1. Beleidsevaluatie gericht op terugdringen van recidive (voorbeelden: invoering structurele risicotaxatie in het tbs-verlofbeleid; invoering forensisch psychiatrisch toezicht; continuïteit van zorg).
  2. Identificeren van de effectiviteit van de forensische zorg in het voorkomen van recidive.

 

Met betrekking tot de tweede doelstelling is het politieke belang groot. Echter er zijn een hele reeks onderzoeksproblemen die nog niet opgelost zijn, waardoor een harde uitspraak niet mogelijk is. Zo moet bijvoorbeeld gedefinieerd worden: “Hoe goed doen we het in vergelijking met: 10 jaar geleden, andere landen en andere FZ-aanbieders”.

 

Dr. Klaus Drieschner (senior onderzoeker bij het WODC) vertelt dat de geanonimiseerde data uit het Onderzoek -en beleidsdatabase Justitiële Documentatie (OBJD) gebruikt wordt voor het onderzoek. Voor de statistische analysen wordt voornamelijk survival analyses toe gepast. Het belangrijkste criterium is de tijd totdat een ex-patiënt recidiveert. Verreweg de meeste mensen in de FZ vallen onder een voorwaardelijke veroordeling en de kleinste groep bestaat uit tbs-gestelden (zie taartdiagram). Allen over de tbs-gestelden is de monitoren over de jaren heen uitgevoerd.

 

Verschillende vormen van forensische titels worden in het WODC onderzoek onderscheiden. Zo komt uit de cijfers van het visiedocument Forensische Zorg (GGZ Nederland, 2014) naar voren dat de algemene recidive van ex-tbs gestelden twee jaar na beëindiging van de maatregel bij 21 procent ligt, terwijl dit percentage bij ex-justitiabelen zonder behandeling met 49 procent aanzienlijk hoger ligt (zie tabel). Om hieruit te concluderen dat tbs meer geschikt is om recidive te verminderen is te kort door de bocht. Het zijn verschillende doelgroepen waarbij de ernst van het delict niet is meegenomen, waarbij een zeer ernstig delict (vaker bij tbs) minder vaak voorkomt dan bijvoorbeeld een vermogensdelict. De focus zou bij deze doelgroepen dan eerder moeten liggen hoe een doelgroep zich naar verloop van tijd verhoudt op de dynamische risicofactoren dan louter naar recidivecijfers.

Andere interessante bevindingen zijn dat tbs-gestelden na tien jaar na beëindiging van de maatregel bij 10-15% liggen. Vermogensdelicten verreweg de meest type delicten zijn en de stelselmatige daders (maatregel ISD) verreweg het meest recidiveert met een gemiddelde van 70% in een periode van vijf jaar.

 

Samengenomen was het seminar met Klaus Drieschner een zeer interessante en relativerend betoog. De conclusies was dat over onderdelen van de forensische zorg aan de hand van recidivecijfers nog geen overtuigende uitspraak gedaan kan worden. Er is voorzichtigheid geboden bij het gebruik van de recidivepercentages.

 

Matthijs ten Hag