Over woord en daad (2)

Godfried Westen | 01-05-2019
Bedrijven staan graag bekend als groen, ethisch en/of maatschappelijk verantwoordelijk. Het kan wel eens moeilijk zijn voor topmanagers, net als voor gewone mensen, om daar ook naar te handelen, de daad bij het woord te voegen. Het lijkt soms wel of het voor een mens ondoenlijk is het goede te doen in plaats van het opportune.

Deze dubbelhartigheid heeft zo zijn risico’s voor het psychologisch welbevinden, waar ik eerder het boek Welbevinden, wat je zelf kunt doen (Westen, 2018) over schreef. Het gaat namelijk wringen, dure het kort, dure het lang. De kruik gaat zo lang te water tot hij barst. Niemand kan zonder gevolgen voortdurend liegen tegen zichzelf of onverenigbare standpunten blijven huldigen. Een kind kan aanvoelen dat dat gaat wringen. Dat geldt zeker ook voor een psycholoog, toch?

Een (te) grote discrepantie tussen woord en daad wordt onder andere in verband gebracht met verminderd welbevinden. Wanneer de discrepantie precies ‘te groot’ wordt, verschilt van mens tot mens. Mensen met veel macht en/of succes schijnen minder te lijden te hebben onder discrepanties. Ook al is ieders zelfintegriteit voortdurend in het geding, het is desondanks bij voortduring nodig de vinger op de zere plek te leggen, zelfs al is de ‘beschuldiger’ zelf schuldig. Het is namelijk intrinsiek juist om te streven naar zelfintegriteit. Die is ‘goed in zichzelf’ en niet omdat het iets anders bewerkstelligt.

Meer zelfintegriteit
De vraag is, kunnen we onze zelfintegriteit versterken en zo ja hoe? Dat kan relatief eenvoudig. Natuurlijk door ons bewust te zijn van het risico van verschillen tussen wat we zeggen en wat we doen. En dan doel ik niet alleen op het risico van negatieve effecten voor het eigen welbevinden: dat zou het namelijk tot een extrinsiek motief vervormen. Nee, het risico dat ik bedoel betreft het opportune blijven doen in plaats van het goede.

Wat verder helpt om zelf integer te handelen is zo af en toe eens stil te staan bij de vraag: is mijn vertoond gedrag in een concrete situatie wel in overeenstemming met waar ik belang aan hecht of zeg te hechten? En als we daar een routine van gemaakt hebben, stel vooraf dan eens de vraag: is wat ik nu wil gaan doen in overeenstemming met de waarden die ik met de mond heb beleden? Of, voor u ze bezigt, zich eens afvraagt of u ook bereid bent het te doen en wanneer dan?

Hoe nuttig dit ook is voor eenieder, er is ook een gevaar dat ik niet onbenoemd mag laten.

De vraag die ook gesteld moet worden
Niet elk ideaal, niet elke waarde en de erbij aansluitende opvattingen en ideeën zijn zonder meer nastrevenswaardig of goed te noemen. Neem de waarde die een topman hecht aan geld en waardecreatie. De ING-witwasserij en het exorbitante beloningsvoorstel van de topman (Heijne, 2018b) zijn voorbeelden van niet-nastrevenswaardige opvattingen en erbij aansluitende waarden. In een eerdere bijdrage van Heijne (2018a) in de NRC figureren nog enkele andere bekende Nederlanders:  Stef Blok en Sigrid Kaag.  Zij belijden en public – de eerstgenoemde niet ‘en plein public’ – hun waarden in toespraken. Van de een hoop je dat hij er niet naar handelt, van de ander dat ze dat wel doet.

Kortom, het is ook nodig stil te staan bij de vraag: wat is er af te dingen op datgene waar ik zoveel waarde aan hecht?

Literatuur

Lees ook

 

Godfried Westen, Registerpsycholoog NIP/ Arbeid & Organisatie, publicist en eigenaar van de School voor psychologie.

 

Reageren? Mail naar A&O-items.