Het ABC van de Groepsdynamica (5)

Monique Bekker
Groepsdynamica bevat een rijke terminologie, waar eenieder die zich met groepen bezighoudt, kennis van zou moeten nemen. In de serie Het ABC van de Groepsdynamica worden telkens enkele belangrijke begrippen verklaard.

De L van Leiden of volgen?

Binnen groepen zie je over het algemeen twee soorten groepsleden ‘leiders en volgers’. Een groep heeft behoefte aan leiding maar ook aan volgers, de een kan niet zonder de ander. Dit is een lastig proces dat niet altijd in balans is. Ieder groepslid is namelijk anders: de een zal meer willen sturen/leiden en de ander zal meer willen volgen.

Leiders kunnen het gevaar lopen dat ze een groep te sterk willen sturen en volgers lopen gevaar dat er over hen heen gelopen wordt. Het lastige van ‘leiden’ en ‘volgen’ is dat ze elkaar in de weg kunnen zitten en tevens zijn gekoppeld aan iemands persoonlijke kwaliteiten. Wanneer je het prettig vindt om de leiding te nemen in een groep, zul je minder aandacht hebben voor wat er leeft in de groep. Omgekeerd zal de gepassioneerde volger kunnen vergeten dat zijn ideeën ook waardevol zijn. Blijf dus altijd opletten voor de tegenpool en vraag zo nodig feedback aan de groepsleden.

De Roos van Leary is een hulpmiddel dat inzichtelijk maakt wat leiden en volgen voor de interactie met de groep betekent. De Amerikaanse psycholoog Timothy Leary ontwikkelde een model om sociaal gedrag in kaart te brengen. Hij gebruikte hiervoor een cirkel, die hij oorspronkelijk verdeelde in zestien interpersoonlijke gedragsbeschrijvingen. Deze beschrijvingen zijn gebaseerd op twee onderliggende gedragsdimensies. De ene dimensie noemde hij Dominant-Submissief en de andere Haat-Liefde. Het model bleek goed bruikbaar om interactieverschijnselen te verklaren en te voorspellen. Leary verdeelde de cirkel later in acht gelijke punten, die hij vervolgens weer in tweeën verdeelde. Dicht bij het midden van de cirkel plaatste hij het gedrag met een milde intensiteit, bijvoorbeeld leidend, en verder naar de rand toe beschreef hij het uitgesproken gedrag, bijvoorbeeld dominerend.

Leary gebruikte de cirkel niet alleen beschrijvend. Zijn persoonlijkheidstheorie veronderstelde dat normaal functionerende mensen alle gedragingen in het assenkruis beheersen en desgewenst ook kunnen uitvoeren, afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden. Ook hier wordt verondersteld dat gedrag een keuze is. Hoe iemand zich opstelt in een groep heeft automatisch gevolgen voor de groep. Het gedrag roept namelijk aanvullend gedrag bij de groepsleden op. Volgzaam, afhankelijk gedrag roept bij een groep leidend, dominant gedrag op. Dit complementaire gedrag zal bijdragen aan het zoeken naar evenwicht binnen de relatie.

Op de dimensie Haat-Liefde werkt het aanvullingsprincipe niet complementair, maar juist vanuit symmetrie. Haatgedrag, zoals agressie, roept ook agressie op, terwijl vriendelijk gedrag over het algemeen vriendelijkheid oproept. Als agressie en vriendelijkheid elkaar ontmoeten, is er pas evenwicht als een van de twee hetzelfde gedrag als de ander gaat vertonen.

De M van Minimale groep paradigma

Een speciale situatie binnen een groep heeft te maken met het verschijnsel ingroup-outgroup. Mensen die lid zijn van een groep voelen zich de ingroup. Deze groep omvat henzelf en ieder die volgens hen onder ‘wij’ vallen. De outgroup omvat in dat geval de mensen die niet tot de ‘wij’ (mogen) behoren. Ingroup leden neigen tot stereotype denkwijzen over de outgroup. Dit lijkt ook nodig te zijn om het wij-gevoel te versterken. In- en outgroupgevoelens kunnen al snel ontstaan. Het slechts uitdelen van rode en witte lintjes zorgt ervoor dat men zich een groep voelt (wij zijn de ‘roden‘ en zij zijn de ‘witten’). Dit verschijnsel noemt men ook wel het ‘minimale groep paradigma’.

De N van Norming (stadium uit het groepsontwikkelingsmodel van Tuckman)

Wanneer groepen niet worden begeleid, bijvoorbeeld door een trainer, volgen zij hun eigen ontwikkeling. Bruce Tuckman (in Bekker, 2016) heeft de ontwikkelstadia in groepen beschreven. Het model van Tuckman is een populair model omdat het tot de verbeelding spreekt en makkelijk te onthouden is door de rijmwoorden. Zoals aan het eind van deze bijdrage is te lezen, is er ook kritiek op de wetenschappelijke onderbouwing van het model.

Ontwikkelstadia

  • Forming: In de ‘forming’ of oriënteringsfase ontstaat de groep als groep. Deze fase vindt vanzelfsprekend aan het begin van de groepsontwikkeling plaats. Maar ook als een deel van de groep elkaar al kent en er nieuwe mensen bij komen, kan er opnieuw sprake zijn van een ‘forming’. De groepsleden zijn beleefd en formeel naar elkaar toe en er is sprake van een eerste interactie. Daarnaast worden de waarden en normen van de groepsleden verkend.
  • Storming: In de `storming’ of conflictfase wordt het onrustig in de groep. Men wordt meer open maar ook kritischer naar elkaar. In sommige groepen kan dit zelfs leiden tot vijandigheid. Er kunnen kleine groepjes ontstaan binnen de groep en de meningen liggen soms sterk uiteen (polarisatie). Begeleiders kunnen last hebben van de conflicten en de onrust.
    Wanneer je als begeleider wordt geconfronteerd met een kritische en ongeorganiseerde groep, kan het best zijn dat de groep zich in de `storming’ of conflictfase bevindt. Als je geen kennis hebt van de groepsontwikkelingsfasen, kun je de voor deze groep `normale’ ontwikkeling verkeerd interpreteren en wellicht aan je begeleiderskwaliteiten twijfelen.
    Als de groep de conflicten oplost, groeien zij in hun ontwikkeling. Het kan zijn dat je hier een bemiddelende rol in wilt spelen. Dit kan het zelfsturende vermogen van een groep in de weg zitten. Wees hier dus voorzichtig mee en wacht tot de groep zelf het initiatief neemt voor een bemiddelaar. Soms kan dit ook een ander persoon zijn dan de leider.
  • Norming: Wanneer de groep de `storming’ goed doorkomt, dat wil zeggen de onrust en conflicten erkent en oplost, ontstaat er weer rust. De dynamiek in de groep werkt positief en er ontstaat stabiliteit en tevredenheid. Groepsleden beginnen zich verbonden met de groep te voelen en de cohesie neemt toe.
  • Performing: De groep is een productieve groep geworden waarin ieder zijn aandeel heeft. Problemen worden bespreekbaar gemaakt en er wordt naar oplossingen gestreefd. Tevens worden er besluitvormingsprocedures besproken en nageleefd. De groepsleden voelen zich prettig.
  • Adjourning: Op een dag gaat de groep uit elkaar. De cursus of de opleiding is beëindigd of de groep heeft de doelen die zij zichzelf gesteld hebben, behaald. Het kan voorkomen dat de groep in deze laatste fase weer onrustig wordt. Sommige groepsleden zien op tegen het naderende afscheid en trekken zich al eerder terug. Anderen voelen misschien spijt, omdat ze meer verwacht hadden. In deze fase worden er plannen gemaakt voor een reünie, die meestal niet plaatsvindt of tegenvalt. Afscheid nemen van een groep is belangrijk, ook voor de begeleider. Creëer hier mogelijkheden voor.

Sociaal Psycholoog Martijn Vroemen geeft in de Canon van het Leren (Ruijters & Simons, 2012) onderbouwde kritiek op het model van Tuckman. Deze kritiek heeft  hij overigens ook met Tuckman gedeeld, en Tuckman herkende zich zeker in deze kritieken.

  • Het grootste deel van Tuckmans artikelen bestaat uit een tekstinterpretatie, waarin je hem begrippen ziet vertalen zodat het model passend wordt gemáákt.
  • De onderzoeksverslagen waaruit het model is opgetrokken zijn hoofdzakelijk anekdotische studies van trainers en therapeuten, gebaseerd op de subjectieve observaties van één (type) groep of één specifieke situatie.
  • Er zijn nauwelijks systematische, wetenschappelijke studies gedaan waarbij de onafhankelijke variabelen gecontroleerd zijn.
  • De studies gaan vooral over therapie- en trainingsgroepen, waarbij groepsleden een betrekkelijk vage opdracht krijgen (‘zelfinzicht bevorderen’) en dan ook nog een opdracht waaraan veel emotionele risico’s kleven.
  • Het model is lineair en voorspellend en geeft geen ruimte voor terugval, herhaling van stappen of vastzitten in bepaalde conflicten.
  • Het model stuurt als concept de waarneming sterk. Dus door de bril van het model op te zetten zul je de praktijk eerder ook binnen de kaders van het model interpreteren.
  • Door het veronderstellen van een beginfase en de toevoeging van de eindfase kan het model principieel weinig zeggen over groepen die een min of meer permanent durend bestaan hebben.

Ondanks dat geeft Vroemen (in Ruijters & Simons, 2012) aan dat Tuckman een bruikbaar model heeft opgeleverd met vooral toepassingsgerichte waarde voor trainers, managers en adviseurs. Door in te zoomen op een groepsfase kunnen zowel groepsleden en groepsleiders de groep observeren en juiste interventies inzetten. Op die manier krijg je meer grip op lastige situaties waar een groep zich in kan bevinden.

Literatuur

  • Bekker, M.E. (2016). Groepsdynamica: Werken in en met groepen. Amsterdam: Boom.
  • Ruijters, M. & Simons, R-J. (2012). De canon van het leren. Deventer: Vakmedianet.

Lees ook

 

Monique Bekker, Registerpsycholoog NIP/ Arbeid & Organisatie, docent/trainer in groepsdynamica bij Bopadvies en auteur van de boeken ‘Leuker Lesgeven’, ‘Focus op Groepsdynamica’ en ‘Groepsdynamica: werken in en met groepen’.

Reageren? Mail naar A&O-items.