Het ABC van de Groepsdynamica - Monique Bekker

Monique Bekker

Groepsdynamica bevat een rijke terminologie, waar eenieder die zich met groepen bezighoudt, kennis van zou moeten nemen. In de serie Het ABC van de Groepsdynamica worden telkens enkele belangrijke begrippen verklaard.

 

De A van Groepsdynamica: Affectiefase

Wanneer een groep start, vervolgens alle groepsleden heeft geaccepteerd (inclusiefase), de normen en waarden van de groepsleden herkend en erkend heeft (controlefase), zullen de groepsleden zich meer verbonden voelen met elkaar. Naarmate deze verbondheid zich verder ontwikkelt, gaat de groep steeds beter samenwerken. De woorden wij en ons worden vaker gebruikt. Het wij-gevoel wordt sterker. Er ontstaan eigen, specifieke gewoontes in de groep en men besluit soms om ook buiten de verplichte bijeenkomsten bij elkaar te zijn. Er ontstaan vriendschapsbanden. De groep heeft de affectiefase (Schutz, in Bekker, 2016) bereikt.

 

Hoe prettig deze fase ook kan overkomen, er bestaan ook in deze fase valkuilen. Zo is het gevaar aanwezig dat de groep te ‘close’ wordt. Om de nieuwe samenhang vast te houden, worden negatieve gevoelens niet meer geuit. Het gevaar voor ‘groepsdenken’ neemt toe. Ook de groepsbegleider kan zich ‘verleid’ voelen tot eenwording met de groep. Hierdoor kunnen (ongewild) de grenzen vervagen tussen professionaliteit en vriendschap.

 

Het is belangrijk om verschillen in openheid te bespreken. Verwachtingen hierover kunnen namelijk per groepslid verschillen. Voor het ene groepslid staat genegenheid gelijk aan geringe persoonlijke communicatie, voor de ander aan intieme vriendschap. Dit kan leiden tot verschillende verwachtingen naar elkaar.

 

Tot slot kan in de affectiefase de productiviteit afnemen. In een groep waar veel genegenheid is, kan de groep te veel op sfeer gericht zijn. Het wordt dan te gezellig met elkaar, waardoor er minder taakgericht gewerkt wordt.

 

De B van Groepsdynamica: Beïnvloeding van groepsleden

Mensen laten zich in grote mate door elkaar beïnvloeden, soms bewust, soms onbewust. Gevaarlijk wordt het als mensen worden beïnvloed om ze iets tegen hun wil in te laten doen. De reclame maakt uitgebreid gebruik van beïnvloedingstechnieken, en baseert zich hierbij op sociaalpsychologisch onderzoek.

 

Een bekend onderzoek naar (automatische) beïnvloeding is onderzoek naar subliminale priming. Subliminaal betekent onder de waarnemingsdrempel oftewel alleen onderbewust opgenomen. Priming is het blootstellen aan een bepaalde stimulus, die invloed kan hebben op het daaropvolgend denken of zelfs handelen, zonder dat de persoon zich daarvan bewust is. Deze stimulus heeft meer invloed naarmate hij vaker wordt herhaald. Bovendien kan subliminale priming mogelijk invloed hebben op gedrag dat door een behoefte wordt gestuurd of gevoed.

 

In de jaren vijftig is er door een marketingonderzoeker (James Vicary) misbruik gemaakt van dit gegeven. Hij maakte bioscoopadverteerders wijs dat door subliminale priming van producten tijdens films, deze producten in de pauze meer verkocht zouden worden. Hier bleken achteraf geen bewijzen voor te zijn. Uit latere onderzoeken zijn wel resultaten gevonden, met name daar waar het ging om oordeelsvorming over personen. Proefpersonen die een oordeel over iemands gedrag moesten geven, gebruikten vaker woorden waarmee zij kort daarvoor subliminaal geprimed waren. In het algemeen kun je stellen dat de effecten van subliminale priming van korte duur zijn.

 

Geuren blijken als vorm van beïnvloeding wel meer koopgedrag op te leveren. In supermarkten worden geuren van lekkere producten verspreid en tweedehands auto’s worden behandeld met de geur van een nieuw exemplaar.

 

De C van Groepsdynamica: Controlefase binnen groepsontwikkeling

Als de inclusiebehoefte (de fase van erbij (willen) horen) enigszins bevredigd is, gaan mensen min of meer hun invloed in de groep laten gelden; erop of eronder lijkt hier te gaan spelen. De groepsleden gaan al wat langer met elkaar om, de eerste onzekerheid wordt minder en sommige groepsleden zijn meer bereid het achterste van hun tong te laten zien. De plekken in de groep worden duidelijker. Dit gebeurt meestal door elkaar uit te testen. Er vinden discussies plaats over doelen, taken en werkwijzen en iedereen probeert op zijn eigen wijze zijn invloed te laten gelden. Sommigen door juist verbaal sterk aanwezig te zijn, anderen door te zwijgen, wat soms ook uit ongenoegen kan zijn.

 

Het is ook de fase waarin de eerste conflicten en ergernissen kunnen ontstaan, bijvoorbeeld over inzet en op tijd komen. In deze fase begint ook de eerste kritiek op de begeleider te komen. Het is belangrijk dat je deze kritiek op waarde schat. Als je er niets mee doet, zal de groep het vertrouwen in jou opzeggen. Maar als je er te veel op ingaat, kun je daardoor mogelijk het groepsproces stagneren. Wanneer je de schuld van het gestagneerde groepsproces volledig op jezelf betrekt, ontneem je de groep de mogelijkheid om diens eigen problemen te ontdekken en op te lossen, tenzij je de groep echt tekort hebt gedaan.

 

In deze fase zijn je taken als begeleider: helpen bij het afspraken maken als het gaat om normen en waarden, taakverdelingen en wederzijdse verplichtingen. Gebruik hierbij vooral meningvormende discussies.

 

Als de groep de problematiek rondom controle niet goed doorkomt, kunnen de deelnemers telkens in controle gerelateerde problemen terechtkomen. De strijd om de macht blijft de groep achtervolgen en er staan informele leiders op. Vragen die groepsleden zichzelf maar ook anderen kunnen stellen, zijn: Wie heeft de meeste invloed in deze groep? En wat vinden wij daarvan? Ook kunnen groepsleden zich distantiëren van de hiërarchie in de groep en een eigen plan trekken. Hiermee verdwijnt de samenhang binnen de groep en begint de inclusiefase opnieuw.

 

Wanneer de inclusie en controleproblemen goed worden uitgewerkt, kan er een diepere verbondenheid ontstaan in de groep, wat resulteert in een begin van de genegenheidfase. Begeleiderstaken die hierbij kunnen helpen zijn:

 

  • De groep inzicht geven en zich laten verdiepen in de taak en de samenwerkingsproblemen van de groep.
  • Helpen bij verwezenlijken of het bijstellen van de groepsdoelen.

 

Het kan hierbij nodig zijn om de deelnemers met hun ‘tekortkomingen’ te confronteren. Specifieke problematiek binnen deze fase van groepsontwikkeling zijn de aanwezigheid van een informele leider en het probleem van de ‘veel en weinig praters’.

 

Literatuur

  • Bekker, M.E. (2016). Groepsdynamica: werken in en met groepen. Amsterdam: Boom.
  • Vicary, J. Wikipedia.

 

Monique Bekker, Registerpsycholoog NIP/ Arbeid & Organisatie, docent/trainer in groepsdynamica bij BOC Onderwijsadvies  en auteur van de boeken ‘Leuker Lesgeven’, ‘Focus op Groepsdynamica’ en ‘Groepsdynamica: werken in en met groepen’.

 

Reageren? Mail naar A&O-items.