Waar zijn onze grenzen gebleven?

Huibrecht Boluijt | 26/06/2019
Mobiele telefoongebruik in openbare ruimten, gillende kinderen in een restaurant. Wie ageert hier nog tegen? Rechters die onderhandelen met criminelen, politie die gedoogt en sportwedstrijden die gewoon doorgang vinden ondanks oerwoudgeluiden en uitingen als ‘kankerhomo’. Een hele kleine opsomming hufterigheid die welig tiert omdat we geen grenzen meer stellen uit angst voor conflict en omdat we naïef geloven dat elk mens een gezond geweten bezit.

Tot in den treure blijven we zoeken naar consensus, waarbij eigen grenzen en die van de ander worden genegeerd of overschreden. Immers wordt van iedereen verondersteld dat men de vermogens heeft om altijd juist te kunnen handelen en mee te kunnen denken of beslissen. Mensen worden daarmee niet zelden boven hun macht geplaatst, op elk niveau. We gaan ook te vaak uit van het idee dat alle mensen zich laten sturen door een zelfverantwoordelijke zelfbepaling: het vermogen om verantwoordelijkheid te dragen voor eigen handelingen wat wordt gekenmerkt door eigenschappen als gewetensvol, liefdevol, onbaatzuchtig en oprecht (Langeveld, 1981).

Als men zichzelf en de ander niet begrenst, slaat vrijheid (ook die van meningsuiting) door in onverschilligheid en desintegratie. Aanzetten tot haat is daarom een ethische kwestie geworden omdat we juist op het onterechte idee zijn gaan steunen dat alles maar moet kunnen en de mens als vanzelf in staat is het goede te kiezen. Het ervaren van grenzen is ons vreemd geworden, is in de gewetensontwikkeling z’n plek aan het verliezen.

Geweten
Een geweten functioneert uitsluitend op basis van het (h)erkennen van andermans en eigen grenzen. Dan pas kun je aanvoelen (in plaats van beredeneren) wat mijn en dijn is. Dan respecteer je op basis van verinnerlijkte controle in plaats van een wilsbesluit en is tolerantie geen holle of afgezaagde frase meer. Respect voor verschillen tussen mannen en vrouwen, culturen en etniciteiten kan alleen bestaan wanneer je altijd jezelf als referentie neemt. Maar men lijkt in de huidige tijd echter bang voor eigenheid, trots, zelfsturing. Dat wordt al snel weggezet als egoïstisch, autoritair, populistisch of zelfs nationalistisch. Vanwaar de angst voor het eigene en waarom dat eigene bij de ander wel waarderen? Paradox. Enerzijds gunnen we ieder het recht op uniciteit door grenzeloos die ander ruimte te geven. Maar bij zichzelf schuwt men vaak de gedefinieerde ‘ik’, men voelt die ook niet.

Als het aan duidelijke verhoudingen heeft ontbroken omdat vader en moeder gelijken waren van het kind en dus geen primaire hechtingsobjecten, kunnen we ons dat ik-besef later nog maar moeilijk eigen maken. De waarneming ervan bij anderen vervult ons echter met ontzag en men projecteert het onvervulde verlangen om te kunnen hechten op een authentiek hechtingsobject. Men sublimeert: werkelijke verbinding blijkt moeilijk maar dit oerverlangen tot verbinden met de ander wordt gekanaliseerd en omgezet in idealisme.

Daar waar men denkt dat het definiëren van grenzen ons van elkaar doet vervreemden, doet het juist het tegenovergestelde. We kunnen pas diepere wederkerige hechting realiseren als er eerst een eigenheid is van waaruit je de brug naar de ander kunt slaan. En om eigenheid te ervaren is het nodig om te leren dat er altijd een grens is tussen jouw ruimte en een waar de ruimte van de ander begint. Anders gaan individuen op in elkaar of overspoelen elkaar en worden systemen stuurloos.

Identiteit
Wanneer contrasten niet meer mogen bestaan, belanden we in een samenleving die het evolutiemodel, gebaseerd op survival of the fittest, langzaam verandert in adjustment to the weakest. Niemand mag immers hoe dan ook het gevoel krijgen minder te zijn. Impliciet wordt daarmee de boodschap afgegeven dat er uitsluitend kansen en rechten bestaan en dat er nooit beperkingen en verplichtingen zijn. Met een onrealistisch mens- en maatschappijbeeld tot gevolg. Accepteren dat ongelijkheid, winst en verlies bij het leven horen lijkt verleerd maar het leren incasseren van tekorten is een opvoedingseis. En dat leert men alleen als men ervaart dat het ‘ik’ ook in kúnnen beperkt (begrensd) is en dat men naast de bekrachtiging van persoonlijke kwaliteiten ook hoort wat geen kwaliteiten zijn.

Een gezond identiteitsbesef wordt pas ontwikkeld als men grenzen aan het eigen kunnen heeft ervaren en verschillen met een afgebakende context kan definiëren. Zo voorkomen we zelfoverschatting of overschatting van de ander. Expertise wordt immers nauwelijks nog erkend onder het mom van de slimme en mondige burger; iedereen weet toch alles?! Leerkrachten, zorgmedewerkers en politie worden met (verbaal) geweld de les gelezen en ons land telt inmiddels 5 miljoen schrijvers, 6 miljoen kunstschilders en 7 miljoen coaches, allemaal omdat niet meer wordt verteld wanneer het iemand aan talent ontbreekt omdat iedereen in alles maar ruimte gegund moet krijgen. Zo wordt onze samenleving een diffuse en onecht. We creëren ons een illusionaire samenleving door te pretenderen dat alles kan en mag en iedereen goed is.

We zijn allemaal gelijkwaardig, zeker, maar wel ongelijk. Daarom is het goed dat verschillen expliciet worden gedefinieerd in plaats van de illusie van het tegendeel op te werpen. Je existeert altijd in een bredere gevarieerde context, je bent er onderdeel van maar ook onderscheid je jezelf ervan. Dus als geen grensbesef is aangeleerd of grenzen zijn overschreden, gaat men op in de context en is de verantwoordelijkheid voor het handelen verdwenen en verbinden slechts een lippendienst.

Vrijheid
Voor het ontwikkelen van een gezonde persoonlijkheid, een gezonde organisatie of vreedzame samenleving is het dus van belang dat grenzen worden geduid. Dat impliceert de aanwezigheid van structuur en orde. Een niet gering deel van de mensheid moet remmingen en structuur van buitenaf opgelegd krijgen. Het is een idee-fixe om te veronderstellen dat alle individuen over deze vermogens als vanzelf beschikken. Kunnen omgaan met vrijheid impliceert een grote verantwoordelijkheid en wederkerigheid en het vermogen dus om af te kunnen stemmen.

De gewetenloze maar ook de idealistische mens gaat hier echter onderuit. De eerste groep predikt de verbinding maar wil slechts z’n doelen verwezenlijkt zien. De tweede groep klampt zich vast aan ideële doelen die voorbij gaan aan de directe verbondenheid met de naaste en niet zelden is er sprake van een utopische waarden-oriëntatie. Beide groepen hebben geen verinnerlijkte behoefte tot verbinden omdat er geen adequate identiteit is ontwikkeld door het ontbreken van het vermogen te zien waar grenzen bestaan. Men ziet niet dat de ander ook een ‘ik’ heeft. Het integreren van twee realiteiten lukt niet en hechten wordt onmogelijk.

Tolerantie en empathie kunnen dan ook niet echt zijn. Altruïsme is overigens psychologisch gezien daarom ook onmogelijk; je kunt de ander niet zien zonder jezelf.

Op het moment dat je vertrouwen in een ander stelt en je wilt verbinden,  heb je dus naast een begrensde ander die zich identificeert als iemand met eigenschappen, normen en waarden ook eigenwaarde nodig. Hechten aan iemand die meegaand of onverschillig is, is onmogelijk. Maar ook het ‘zelf’ zal zonder een ervaren eigenheid niet kunnen hechten. Grenzen definiëren bepaalt dus de eigenheid en is de enige kans tot hechting en integratie. Wanneer we grenzeloos (lees: zonder identiteit) zijn en dus niet bevangen zijn door kaders zoals zelfrespect en eigenwaarde wordt samenleven ondoenlijk. Want onbevangenheid is een illusie. De pedagoog M.J. Langeveld wijst erop dat als je een kind niet waarschuwt voor reëel gevaar, je de onbevangene slachtoffer laat worden. Maar als je het overstelpt met waarschuwingen, je de onbevangenheid vernielt en er levensangst voor in de plaats komt (Buytendijk, Langeveld & Vergote, 1973).

En omdat onze kinderen de samenleving van morgen vormen is het goed om stil te staan bij het zoeken naar evenwicht tussen führen (autoritair begrenzen) en wachsen lassen (grenzeloosheid).

Literatuur

  • Buytendijk, F.J.J., Langeveld, M.J. & Vergote, A. (1973). De onbevangenheid. Bilthoven: Ambo.
  • Langeveld, M.J. (1981). Beknopte theoretische pedagogiek. Groningen: Wolters Noordhoff.

 

Huibrecht Boluijt, Registerpsycholoog NIP/ Arbeid & Organisatie, Gezondheidspsycholoog en Sportpsycholoog bij Psychologenbureau Boluijt.

Reageren? Mail naar A&O-items.