Vrouw tussen de mannen

Joke Tacoma | A&O-items, november 2021

Ik ben lang een van de weinige vrouwen tussen de mannen geweest. Toen ik scheikunde ging studeren, was ongeveer tien procent vrouw. Gaandeweg het eerste jaar vielen er vrouwen af: het practicum was eng of ze hadden zich ingeschreven voor scheikunde omdat ze uitgeloot waren voor geneeskunde. In het tweede jaar waren we nog met vier vrouwen tussen vijftig mannen.

Had ik daar last van? Nee, het was gewoon, zo was het nou eenmaal bij scheikunde. In het vierde jaar moest je een richting kiezen. Ik koos voor fysische chemie. En bleek daar de eerste vrouw in de vakgroep te zijn.

Had ik daar last van? Nee, het was geweldig, ik werd op handen gedragen. En volledig geaccepteerd als hoofdvakstudent. Wel werd me gevraagd waarom er zo weinig vrouwen fysische chemie kozen. Tja, dat moet je aan die andere vrouwen vragen.

Na mijn studie ging ik bij Philips werken. Daar was ik de enige vrouw tussen vijftig mannen, afgezien van een secretaresse. Had ik daar last van? Dat vind ik lastig te beantwoorden. Het vak was moeilijk, ik had mijn eigen onderzoek en was de enige die dat onderzoek deed. Mijn collega’s deden allemaal wat anders. Dat gaf eenzaamheid. Ik had het moeilijk met mezelf, maar niet met inclusiviteit. Ik voelde me door mijn collega’s geaccepteerd. Sterker nog, naast onze ontwikkelafdeling was een productieafdeling. De chef van de productieafdeling kwam op een dag naar me toe om te vragen of ik hun baas wilde worden. Hun eigen baas beviel niet.

Pas toen ik na acht jaar Philips bij Lloyd’s Register als auditor ging werken, begreep ik wat er met vrouwen kon gebeuren in een mannenwereld. Als auditor toets je organisaties om te beoordelen of ze werken volgens een norm, bijvoorbeeld een norm voor kwaliteit of veiligheid. Daar heb ik meegemaakt dat een Italiaanse medewerker niet met mij wilde praten omdat ik een vrouw was. En, in een andere organisatie, vroeg een man verbouwereerd: “U bent een vrouw, hè?” Echt last had ik er niet van. Ook bij Lloyd’s Register was ik een uitzondering. Toen ik begon had ik één vrouwelijke collega. Maar er kwamen meer vrouwen, vooral toen voedingsmiddelenbedrijven getoetst wilden worden. Mag ik het zeer vrouwelijke vrouwen noemen? Hoge hakken, hulpeloos gezichtje als de laptop ‘het niet deed’, lang haar dat bevallig achterover gevouwen werd. Ik wist niet wat ik zag. Je komt toch om het werk te doen, toch niet om vrouw te zijn? Deze vrouwen redden het niet, na een jaar waren ze weer weg.

Ben ik nou zo naïef, dat ik nooit last van discriminatie heb gehad? Ik heb altijd gewoon mijn werk gedaan, net als mijn mannelijke collega’s. Verliefd? Ja, natuurlijk. Zowel binnen als buiten mijn werk. Hij op mij, ik op hem, soms wederzijds. Maar het is nooit iets ‘geworden’. Ik woon liever alleen. Wel heb ik aan werk en clubjes lieve vrienden en overigens ook vriendinnen overgehouden.

Nu zit ik als psycholoog in een vrouwenberoep. En zijn de mannen de uitzonderingen. Natuurlijk zie ik dat iemand een man is, maar hij komt ook gewoon om zijn werk te doen. Bij collega’s gaat het om de professie, samen jezelf verbeteren in je vak. In intervisiegroepen of gewoon op de werkplek.

In werk gaat het er niet om wat je bent, het gaat erom wat je doet.