Inclusiviteit discrimineert

Huibrecht Boluijt | A&O-items, november 2021

Eens in de zoveel tijd heeft de geciviliseerde mens een kapstok nodig, noem het een reminder of richtingaanwijzer, waaraan het eigen normatieve handelen in het licht van gelijkheid, gelijke kansen en vrijheid kan worden opgehangen en getoetst. Maar wat als die kapstok een boemerang blijkt en leidt tot het tegendeel?

 

 

Individualisering

De eerste grote bevrijding van het juk van opgelegde structuren die de individuele vrijheid in de weg stonden is die van de ontzuiling en secularisering. Deze grote sociologische verschuiving schoot wortel in de jaren zestig en groeide uiteindelijk uit tot de boom van waaruit de individualisering zich bij herhaling vertakte in weer nieuwe twijgen die naar het licht der persoonlijke ontplooiing en erkenning toegroeiden. Zo ontstond daarna, in de jaren zeventig, al snel het feminisme, waarbij met name vrouwen hun strijd startten voor gelijkheid en gelijke maatschappelijke kansen en de bevrijding van de masculiene heerschappij. Een strijd die nog steeds niet beslecht lijkt, gezien o.a. de ongelijkheid in salariëring vergeleken met het mannelijke geslacht. In het door Wim Kok in de negentiger jaren omarmde poldermodel, wat z’n oorsprong reeds in de jaren tachtig kende, stond consensus in het overlegmodel centraal. Elke participant in de ontmoeting moet zich gekend weten in de uiteindelijk genomen besluiten en het gekozen beleid. De erkenning van het individuele talent voegde zich ook via het onderwijs nadrukkelijk bij de wortels van het gelijke kansen-beginsel middels de externe democratisering, waarbij iedereen, ongeacht sociale achtergrond of financiële middelen dezelfde kansen moest krijgen om te kunnen studeren. Kennis wordt immers als het belangrijkste middel gezien voor de bevrijding en de individuele mogelijkheden tot exploratie.

Polarisatie

Een onderschatte bijwerking van al deze, op zichzelf positieve ontwikkelingen, was dat de gemeenschapszin verdween en instituties afbrokkelden, waardoor de sociaal-maatschappelijke samenhang meer en meer verdween.

Nadat in de vijftiger jaren de grote immigratiestromen op gang waren gekomen, bleek ook nog eens steeds duidelijker dat genoemde maatschappelijke ontwikkelingen binnen het individualiseringsproces het functioneren van de multiculturele samenleving ook niet ten goede waren gekomen. In alle lagen van de bevolking ontmoetten mensen elkaar letterlijk minder en gedachten werden slechts nog gedeeld binnen de eigen groep. Een voedingsbodem voor polarisatie (Boluijt, H, 2021).

De opkomst van massamedia en de sociale media sinds de millenniumwisseling maakte de burgers ten slotte nog mondiger. Dit gekoppeld aan het idee dat alles gezegd moest kunnen worden, uitsluitend omdat het mag, maakte het sociaal-maatschappelijk veld tot een slagveld waarop de hardste schreeuwers een weg vooruit vonden, mensen die zich niet langer lieten dicteren door politieke besluiten van bovenaf dan wel vanuit een gedeelde moraal. Het sluiten van compromissen bleek verleerd, respect steeds verder te zoeken en verworvenheden zoals de erkenning van homoseksualiteit en de gelijkheid van man en vrouw kwamen als inmiddels volstrekte normaliteiten opnieuw onder druk te staan.

Spinoza

De lessen van Baruch Spinoza, die zo’n 400 jaar geleden leefde en die in de Middeleeuwen het fundament voor vrijheid van meningsuiting, tolerantie en godsdienstvrijheid had gelegd werden met spoed afgestoft. Mensen vanuit verschillende sociale klassen en vanuit verschillende culturen en met verschillende etnische en religieuze achtergronden moesten plotseling een nieuwe weg vinden om met elkaar om te gaan. Het constructief uitageren en debatteren over de individuele ideeën en behoeften zat niet bij elke nieuwkomer in het DNA en ook voor menig autochtone burger was het moeilijk om de eigen bekrompenheid en de nieuwe globaliserende wereld te leren erkennen.

De onvrede over de elite en de irrationele gedachte dat het ‘ik’ in alles voorrang dient te krijgen, kreeg het afgelopen decennium tevens vorm in de opkomst van talloze politieke partijen en belangenorganisaties enerzijds en religieuze, etnische en persoonlijke- en (gender-)identiteiten anderzijds. Oude politiek, waarin het principe van de meeste stemmen gelden leidend was, bleek afgedaan. Nieuwe politiek moest zich vooral gaan buigen over het belang van de minderheid.

Inclusiviteit

De nieuwste twijg aan de boom van individualisering werd derhalve inclusiviteit. Een late uitloper van diversiteit, een begrip dat eind vorige eeuw in met name de in te richten arbeidsomgevingen de richtlijn werd. In een inclusieve samenleving maakt men zo goed mogelijk gebruik van de verschillende talenten en vermogens. Het is een samenleving waarin ieder tot zijn recht kan komen, ongeacht leeftijd, talent of beperkingen, levensfase, gender, geslacht of herkomst en culturele achtergrond. Iedereen neemt op een gelijkwaardige manier deel aan de samenleving. Ieder wordt gerespecteerd en wordt aangesproken op mogelijkheden en niet op beperkingen. Verschillen worden gewaardeerd en zelfs gezocht om te benutten. Op deze wijze wordt geprobeerd recht te doen aan elk individu. Ook, of misschien wel juist, als deze behoort tot een minderheidsgroep.

Maar wat nu als de meerderheid een mening heeft over de minderheid? Mag die mening dan ook bestaan? En mag iemand uit de minderheid worden afgewezen op basis van beperkingen of gebrek aan talent? Of overruled dan de norm dat elke groep divers moet zijn en hercreëren of herdefiniëren we dan de omgeving net zolang tot deze wel past bij de diverse groep of het niet met de omgeving matchende individu? Zeggen we dan bijvoorbeeld dat een stotterende nieuwslezer best te doen is omdat we eenvoudigweg de lengte van een journaaluitzending kunnen verdubbelen? Of dat een politieagent van 1,50 meter ook oké is omdat we ervan uit moeten kunnen gaan dat een agressieve crimineel ook prima met een goed gesprek tot bedaren moet zijn te brengen? En is het passend om een 64-jarige senior die solliciteert op een baan in de kinderopvang voorrang te geven op een net afgestudeerde PABO-student omdat dit ten goede komt aan de diversiteit van het team en iedereen mee moet kunnen doen? Moet het allemaal omdat het kan of is er ergens nog sprake van common sense?

Schijnwerkelijkheid

Het antwoord is eenvoudig. Met common sense oftewel gezond verstand wordt getracht de waarheid in te zien zonder gebruik te maken van filosofische redenering of wishful thinking. En de werkelijkheid aanpassen aan onze wensen en intenties is zo’n geforceerde exercitie. Het is infantiel om op deductieve wijze de fenomenen te willen aanpassen aan ons ideaalbeeld van een betere wereld. Het geforceerd poneren van een gegeneraliseerde ideale werkelijkheid is niets anders dan het fantaseren over en het hopen op de ideale werkelijkheid zichtbaar maken middels het opleggen van dit ideaalbeeld. Dit is een schijnwerkelijkheid, kunstmatig. Vervolgens observeren en analyseren we deze schijnwerkelijkheid, waarin iedereen handelt naar de voorgeschreven quota en richtlijnen en passen het gekozen beleid aan of nog waarschijnlijker, we verwerpen het. Het werkt aantoonbaar niet omdat het werken aan een betere wereld juist een inductieve aangelegenheid is omdat duurzame en constructieve ontwikkelingen van onderaf komen. Draagvlak ontstaat op basis van ervaring en vertrouwen. Niet op basis van bevelen en restricties. Eerst is er het zaadje, dan ontstaat de plant. Niet andersom. Het is dus belangrijk dat we fenomenen onderzoeken, data gebruiken, patronen ontdekken en vervolgens behoedzaam stappenplannen ontwikkelen op weg naar de gewenste realiteit.

Terug naar Spinoza. In zijn Theologisch-politiek traktaat schreef Spinoza (Spinoza, B, 1670) dat iedereen moet kunnen denken wat ie wil en moet kunnen zeggen wat ie denkt. Hij zegt dus dat zelfs schelden mag maar dat men nooit vanuit haat mag spreken of mag oproepen tot geweld. Dus ook dat iemand zich vrijelijk moet kunnen uitspreken over wat voor onderwerp dan ook. Inclusiviteit incluis. Het is van het grootste belang binnen een samenleving, die vrijheid als zijn hoogste goed kent, dat elk idee ter discussie kan en mag worden gesteld en dat de vrije keuze, mits niet discriminerend of anderszins schadelijk, gewaarborgd is. Want alleen in het mogen uitspreken van wat men vindt, hoe bekrompen ook, ligt de opening naar een ontmoeting en gedachtewisseling. De mond snoeren of iemand verplichten in een format te acteren leidt tot het tegengestelde effect. Onder de huid groeit dan namelijk haat en onbegrip.

Kortom, een tolerante samenleving, waarin iedereen zich gewaardeerd en veilig weet, begint niet bij het opleggen van quota, diversiteitsbevelen en opgelegde sociogrammen maar bij het leren kennen van wie de ander is of wat de ander kan. En dat staat altijd los van kleur, geaardheid, etniciteit en religie, etc. Er moet dan dus ook altijd de vrijheid bestaan om te mogen uitsluiten op basis van het (ontbreken van) talent, vaardigheden of andere (vak)specifieke eisen die een (werk)omgeving tot een veilige en voorspelbare maakt. Absolute inclusiviteit discrimineert anders namelijk de omgeving, waarin hetzelfde individu tot z’n recht wil kunnen komen. Inclusiviteit als moreel kompas is wenselijk maar kan en mag nooit het recht op exclusiviteit en uniformiteit wegnemen als dit de omgeving kan aantasten en de voedingsbodem waarop de unieke mens kan excelleren vertrapt. Zo verstart de samenleving namelijk opnieuw en komen dogma’s als een boemerang weer voor de voeten.

Een professioneel voetbalteam, dat vooral divers moet zijn in kleur, gender, etnische komaf en geloof, zal minder prijzen winnen dan het voetbalteam dat z’n beste spelers opstelt. Met als gevolg dat FC Inclusiviteit ter ziele gaat en de spelers teleurgesteld opnieuw de pluriforme – in dit geval de niet-kunstmatige en vooraf gecreëerde en gefingeerde diverse realiteit – moeten leren verdragen.

 

 

Referenties