Inclusie en hoogbegaafdheid

Ana Bloemraad | A&O-items, november 2021

Inclusie gaat over het recht om mee te doen, ongeacht leeftijd, sekse, seksuele geaardheid of een fysiek of psychisch gebrek. Als A&O-psychologen zijn we het met elkaar eens dat al die groepen aandacht verdienen zowel op onze universiteiten, bij onze vakverenigingen als in onze werkpraktijk. En als ik nu zeg hoogbegaafden? Dan beginnen sommigen zich toch achter de oren te krabben van ‘wat bedoel je?’. Hoogbegaafden zijn toch superslim en kunnen zich makkelijk redden? Ze zijn goed opgeleid, getalenteerd, vinden het leuk om problemen op te lossen en kunnen dus goed voor zichzelf zorgen? Nou, nee!

In werkelijkheid zien de organisaties die zich op hoogbegaafden richten, zoals Mensa en het Instituut voor Hoogbegaafde Volwassenen (IHBV), dat een aanzienlijk deel van hun doelgroep problemen heeft. Sommigen hebben hun opleiding nooit afgemaakt, waardoor ze ver onder hun denkniveau moeten werken. Ze zien dat talenten van hoogbegaafden – zoals creativiteit, snel tussen onderwerpen kunnen schakelen en verschillende vakgebieden met elkaar kunnen verbinden – vaak niet worden benut. Terwijl de organisaties precies dat nodig hebben. In plaats daarvan wordt de kenmerkende enorme drang naar autonomie, kennishonger, hoge sensitiviteit en snel denken van hoogbegaafden eerder gezien als minachting voor de autoriteit, bemoeizucht, klagerigheid en onwil voor samenwerking.

Onvoldoende uitdaging op het werk, geen aansluiting kunnen vinden bij collega’s en druk van de (werk)omgeving om zich aan te passen aan de geldende regels, normen en waarden – ‘om normaal te zijn’, kan leiden tot stress, uitputting of zelfs tot een burn-out. Het gevoel ‘ik kan zoveel meer dan er van mij verwacht wordt’ gecombineerd met te weinig intellectuele uitdaging, kan leiden tot bore-out. Aanhouden van deze problematiek kan uiteindelijk leiden tot een uitval uit het werkproces. Eigen schuld? Nou, nee!

In het basisonderwijs is er gelukkig steeds meer aandacht voor de leerlingen met kenmerken van hoogbegaafdheid. Pedagogen en jeugdpsychologen beseffen al langer dat voor deze zogenaamde ‘toptalenten’ het niet vanzelfsprekend is dat ze (op eigen kracht) hun potentieel kunnen herkennen en ontwikkelen. Ze hebben steun nodig. Om te ontdekken welke steun er nodig is en hoe die gegeven kan worden, is onderzoek nodig. Daarom zijn er op de universiteiten steeds vaker hoogleraren te vinden die zich met het onderzoek naar hoogbegaafde kinderen bezighouden. Maar een docent die zich met het onderzoek naar hoogbegaafde volwassenen bezighoudt, zal je moeilijk vinden.

Dat betekent dat er in het curriculum van psychologieopleidingen geen aandacht besteed wordt aan hoogbegaafde volwassenen. Het onderzoek naar hoogbegaafdheid bij volwassenen is, zowel in Nederland als internationaal, zeer schaars. Ik kan niet eens stellen dat er een duidelijke definitie van hoogbegaafdheid bestaat of een meetinstrument dat hoogbegaafdheid vast zou kunnen stellen. Meestal wordt gedacht dat hoogbegaafdheid alleen met een hoge intelligentie te maken heeft (IQ>130). Helaas geeft dat geen inzicht in specifieke kenmerken van hoogbegaafde mensen. Want, wat betekent deze hoge intelligentie voor het functioneren van de persoon? De talenten, eigenaardigheden en klachten die met hoogbegaafdheid samenhangen, zijn nog steeds niet middels wetenschappelijk onderzoek in kaart gebracht. Dit tekort aan kennis omtrent hoogbegaafdheid kan soms zelfs leiden tot misdiagnoses als autisme, ADHD of persoonlijkheidsstoornis, waardoor hoogbegaafden, die in psychische problemen verkeren, vaak niet adequaat geholpen worden.

En omdat een hoogbegaafde niet automatisch op zijn of haar niveau presteert, lopen bedrijven (en de maatschappij in het algemeen) een enorme asset mis. Zou het niet tijd zijn dat A&O- en A&G-psychologen aan deze groep, zowel wetenschappelijk als in de praktijk, meer aandacht besteden?