Ik ben geen coach

Willem de Wijs | A&O-items, november 2021

Sinds deze zomer heb ik mijzelf de titel ‘interventiekundige des vaderlands’ toegekend. Die titel verplicht mij eigenlijk vooral tot een ambassadeurschap: de wereld meer bekend maken met wat interventiekunde is, wat een interventiekundige doet, waarin het verschilt van andere disciplines. En vooral hoe verrijkend die manier van kijken en handelen is voor mensen, voor organisaties en voor de samenleving. Een interventiekundige helpt ‘een systeem’ te onderzoeken wat er aan de hand is, vanuit verschillende perspectieven een zo rijk mogelijk beeld te vormen. En vervolgens op grond daarvan keuzes te maken hoe te handelen. Bij voorkeur met zoveel mogelijk voor het vraagstuk relevante betrokkenen.

Interventiekunde is het nogal ongrijpbare, eclectische geheel van alle mogelijke theorieën, modellen en werkvormen. Er is geen voorgeschreven aanpak, omdat iedere situatie andere variabelen en spelers kent. Lastig voor mensen die zekerheid zoeken. Als zogenaamde professionals dus beweren dat zij de juiste en succesvolle aanpak ‘voor al uw problemen en wensen’ bieden, zal ik ze geen interventiekundige noemen.

Deze bijdrage over ‘coaching’ is bedoeld als de eerste in een reeks waarin ik de interventiekundige kijk tracht te verhelderen. Een volgende bijdrage zal gaan over verandermanagement vanuit interventiekundig perspectief. Vermoedelijk volgen nog bijdragen over opleiden/trainen/leren, over ‘organisatiecultuur’, ‘veiligheid’, en meer van dat soort ingesleten begrippen. Hopelijk een bron voor veel dialoog!

Ik voer regelmatig een-op-een gesprekken met mensen. Anderen noemen dat coaching. Dat is niet mijn probleem.

Daarmee zeg ik dat allerhande opvattingen, normen, methoden, filosofieën, technieken over wat coaching hoort te zijn en hoe een coach hoort te handelen voor mijn denken en handelen in de interactie met die gesprekspartner er niet toe doen.

Ik hoef niet na te denken over welk bijvoeglijk naamwoord onze interactie typeert: provocatief, waarderend, co-actief, holistisch, socratisch, oplossingsgericht, prestatiegericht, transformatief, ontwikkelingsgericht, enzovoorts.

Ik hoef niet na te denken of ik het gesprek wel methodisch juist voer, ik kan doen wat mijn gesprekspartner helpt bij het ingebrachte vraagstuk. Ik heb alle vrijheid om andere rollen dan die van ‘coach’ ook op te pakken, als dat helpend is.

Wat ik dan wel doe in die gesprekken? Ik blijf alert op mijn interventiekundige ‘taken’:

  1. Valide en betrouwbare informatie genereren;
  2. De autonomie van mijn gesprekspartner (en die van mij) in stand houden en te zorgen dat deze vrije keuzes kan maken;
  3. Betrokkenheid en eigenaarschap van handelingskeuzes leidend laten zijn.

Dat betekent dat we samen komen tot een duidelijke contractering: wat mogen we van elkaar verwachten en waar werken we aan en naartoe? Zonder dat we dat in een model moeten gieten.

Dat we samen bekijken wanneer het zinvol is om de systeemgrenzen op te rekken om meer valide en bruikbare informatie te genereren, andere perspectieven te onderzoeken. Dat ik gewoon concrete adviezen mag geven. En ook mijn opvattingen bruikbare informatie kunnen zijn.

Dat we beiden de vrijheid hebben om (in overleg en medeweten) keuzes te maken, te hercontracteren. Ook als er sprake is van een derde partij, een ‘opdrachtgever’ van de ‘coaching’.

En dat uiteindelijk alleen mijn gesprekspartner bepaalt wanneer de ‘coaching’ klaar is. Namelijk als deze zich geholpen weet.

Wat maakt het dan eigenlijk uit hoe anderen mijn handelen als interventiekundige benoemen? Voor mij niets, tenzij die anderen denken op grond daarvan eisen te kunnen stellen, normen op te leggen, oordelen te vellen. Maar ik heb het liever niet, het is zoveel rijker, werken als interventiekundige.

Ik ben geen coach, ik doe niet aan coaching.
Ik voer gesprekken, ik help.