De wil en innerlijke autoriteit (4) Vrije keuze?

Godfried Westen | A&O-items, november 2021

Over de wil is veel geschreven. Vooral door filosofen en in de tweede plaats ook door psychologen. En als men de ermee in verband staande onderwerpen – zoals wilskracht, motivatie, drijfveren, behoeftes, autonomie – meeneemt, ontstaat al snel het beeld van mer à boire: onbegonnen werk.

Desondanks zijn er veel vragen onbeantwoord gebleven of hebben geen sluitend antwoord gekregen. Nu is dat voor psychologen een dagelijkse realiteit: openstaande vragen zijn er meer dan beantwoorde. Toch zijn er weinig onderwerpen die zo’n belangrijke rol spelen in het leven van mensen als de wil. Wat dat betreft zou je eerder net zo’n inzet verwachten om uit te zoeken hoe het precies zit met de wil, als gebeurd is voor het coronavirus. Dat is echter niet het geval, zo kan geconstateerd worden.

Een verklaring daarvoor vereist speculatie. Toevallig bezondig ik mij daar graag aan. Ik vermoed dat mensen terugschrikken voor diepere zelfkennis; in het algemeen maar zeker waar het de wil betreft. Wellicht omdat de feiten en de waarheid niet altijd fraai blijken. In mijn onlangs verschenen boek De wil: innerlijke autoriteit heb ik een aantal vragen van een indefinitief antwoord voorzien. Met als belangrijkste doel een antwoord te vinden op de vraag of er een innerlijke autoriteit – of een woord dat ik nu prefereer ‘gids’ – is? In een serie artikelen – waarvan dit het vierde en laatste is – belicht ik een aantal thema’s uit het genoemde boek. Van Carl Jung leen ik de volgende omschrijving voor de wil: er is sprake van innerlijke autoriteit als wilskracht een instinctief of reflexmatig verlopend proces nog aantoonbaar kan beïnvloeden (in zijn geschrift Ik en zelf uit 1982). In de eerste bijdrage behandelde ik de voor de hand liggende vraag: wat is de wil? In de tweede bijdrage behandelde ik enkele aan de wil verwante begrippen. In mijn derde bijdrage ging ik verder in op de relatie tussen behoeftes, instinct en drijfveren en de wil en willen. In deze vierde bijdrage sta ik stil bij het begrip de ‘vrije keuze’.

Vrije keuze?

Is er een mogelijkheid voor de mens vrij en autonoom te kiezen? De term ‘vrije wil’ acht ik een nonsensicaal construct. De wil is één van de psychische en wellicht executieve functies van de mens. Als deze ‘vrij’ zou zijn dan is dat als een zelfrijdende auto die zijn eigen bestemming bepaalt. Met andere woorden: de mens zou alsnog niet vrij zijn met een vrije wil. Sommige wetenschappers – o.a. Victor Lamme en zijn medestrijder Dick Swaab – denken dat er geen sprake is van de vrije keuzemogelijkheid. Dat wil zeggen dat zij denken dat elke keuze voornamelijk bepaald wordt door factoren waar een mens geen doorslaggevende invloed op uitoefent. Nu moet erkend worden dat de meeste keuzes van mensen nauwelijks vrij genoemd kunnen worden, omdat ze voor nagenoeg 100% de uitkomst zijn van een brei van persoons- en omgevingsfactoren waarop we nauwelijks invloed hebben. Ook is het lastig gebleken – om meerdere redenen – om harde bewijzen voor het voorkomen van vrije keuze te leveren.

Afwezigheid van bewijs is echter geen bewijs van afwezigheid. Laat staan dat afwezigheid van bewijs van het bestaan van de vrije keuze in het verleden en heden, bewijs is voor de (on-) mogelijkheid ervan in de toekomst. Vaak wordt vergeten dat de mens nog steeds evolueert. Vanwege die evolutionaire processen is niet uit te sluiten dat wat vandaag niet bestaat in de toekomst besloten ligt. Er zijn echter meer goede argumenten om in de mogelijkheid van de vrije keuze te geloven. Zo komt het mij als evident voor dat een mens meer invloed kan uitoefenen op de richting waarin hij of zij beweegt dan een boom. Ook kan een mens op zijn minst het gebaar dat eenmaal begonnen is onderbreken. Ook is aannemelijk dat een bepaalde keuze indirect beïnvloed kan worden door ieder van ons, door blootstelling aan bepaalde prikkels – bijv. reclames – te vermijden.

Een tegenwerping kan zijn dat er een type prikkels ontdekt is – zogenaamde ‘supernormale stimuli’ – die een sterke onbewuste impact hebben op ons gedrag. Maar anderzijds kan kennis en het besef dat deze supernormale stimuli bestaan helpen hun invloed te beperken.

Definitief bewijzen dat de vrije keuze niet bestaat is lastig, maar definitief bewijzen dat die autonome invloed en stuurmogelijkheid wel bestaan is net zo lastig. Onder andere omdat er steeds sprake is van een factor die een rol speelt bij de keuze waarop geen invloed mogelijk is. Denk maar eens aan ‘het frame’ en ‘ongeschreven regels’. Voor mij staat echter vast dat een mens meer te kiezen heeft dan een dier. In mijn boek ‘De wil’ worden nog meer overwegingen genoemd, zoals de volgende: datgene waar je niet in gelooft, herken je niet als het zich toch voordoet. De vraag is kortom of het veel voordeel oplevert ergens niet in te geloven of dat er risico’s verbonden zijn met ergens wel in geloven. In het boek wordt ook de vraag geadresseerd wat in de mens de wil dan wel zou sturen?

Kader inclusiviteit

Zoals de vrijheid van ieder individu begrensd wordt door de vrijheid van de ander wordt ook de ruimte voor vrije keuze beperkt door de ruimte voor vrije keuze van de ander. Rekening houden bij ons doen en laten met die vrijheid en keuzeruimte van de ander, is een belangrijk aspect van inclusiviteit. De ander, inclusief de vreemde en onbekende, behandelen we dan misschien eerder als gelijkwaardig aan onszelf. Consequent doorgeredeneerd betekent dit dat je, als je werkelijk inclusief wilt handelen, je nauwelijks voor je eigen belang kunt kiezen omdat alles nu eenmaal uit de lengte of de breedte moet komen. Voor veel van onze handelingen en gedragingen geldt dat ze meestal – meer of minder – het belang van een ander schaden. Als jij een baan accepteert waarop je gesolliciteerd hebt, dan gaat dat ten koste van andere sollicitanten. Of als jij je niet laat vaccineren, dan heeft dat potentieel consequenties voor anderen, waaronder kwetsbaren en mensen die wachten op een operatie. Nog ingewikkelder wordt het als we inclusiviteit breder opvatten, d.w.z. inclusief dieren, dingen zoals monumenten en kunstwerken en last but not least onze leefomgeving en natuur. Het wordt dan al snel duidelijk dat 100% inclusief leven niet erg haalbaar is. Maar wel is het natuurlijk aanbevelenswaardig bij onze eigen vrije keuzes naar ons vermogen rekening te houden met gevolgen voor de vrije keuze van elke ander.