Visie NIP: gedragswetenschapper als Wzd-functionaris in de Wet zorg en dwang

Wat is de visie van het NIP op de rol van gedragswetenschapper als Wzd-functionaris? In de Wet zorg en dwang moet de Wzd-functionaris toezien op de minst ingrijpende vorm van onvrijwillige zorg en de afbouw ervan.

Artsenorganisaties pleiten ervoor dat deze functie voorbehouden blijft aan artsen, de huidige Bopz-artsen. In november 2018 is er echter een wetsvoorstel ingediend om deze functie ook door een gz-psycholoog of orthopedagoog-generalist te laten vervullen. Het wetsvoorstel is nog niet aangenomen. Wat is het standpunt van het NIP over deze wetswijziging?  

Standpunt NIP: gedragswetenschapper als Wet zorg en dwang-functionaris

Het NIP is positief over het voornemen om ook gedragsdeskundigen te laten optreden als Wzd-functionaris. Onvrijwillige zorg kan namelijk ook op niet-medische gronden worden ingezet. Gedragsdeskundigen zijn in dat laatste geval, vanwege hun kennis en kunde op het gebied van gedragsproblematiek, bij uitstek in staat om de juiste afwegingen te maken over de inzet van (on)gedwongen zorg.  

Ook de Kinder- en Jeugdpsycholoog

Het NIP is ook van mening dat, naast de gz-psycholoog (GZ) en orthopedagoog-generalist (OG), ook de Kinder- en Jeugdpsycholoog (K&J) aan het wetsvoorstel moeten worden toegevoegd. De GZ, OG en K&J zijn namelijk gelijkwaardige gedragsdeskundigen die elk op basis van hun specifieke deskundigheid bij een bepaalde zorgvraag of specifieke doelgroep kunnen worden ingezet. Zo speelt de K&J in de Wet zorg en dwang vaak een belangrijke rol als het gaat om kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking.  

Samenwerken is belangrijk

Tot slot vindt het NIP het belangrijk dat de verschillende beroepsgroepen met elkaar samenwerken, want medische problematiek en gedrag zijn vaak met elkaar verweven: een somatische klacht kan een uiting zijn van onderliggende psychosociale of psychische problematiek en achter gedragsmatige problematiek kan een somatische klacht schuil gaan. We moeten elkaar als beroepsgroepen dus niet uitsluiten, maar elkaar juist versterken, omwille van kwalitatief goede zorg voor de cliënt.