NIP-reactie kwestie Kaat Bollen

De Belgische psycholoog en seksuoloog Kaat Bollen werd door een collega aangeklaagd voor de Psychologencommissie omdat die aanstoot nam aan haar gedrag dat onder meer de ‘waardigheid van het beroep’ zou aantasten.

Kaat Bollen werd ook in hoger beroep de maatregel van waarschuwing opgelegd en besloot daarop zelf haar registratie als psycholoog op te zeggen. De titel van psycholoog is in België, anders dan in Nederland, wettelijk beschermd. Volgens de psycholoog ging het om haar privéleven. De uitspraak van de Psychologencommissie heeft in België voor veel commotie gezorgd. Aan het NIP werd de vraag voorgelegd of een psycholoog ook in Nederland voor gedragingen in de privésfeer door de tuchtrechter veroordeeld zou kunnen worden.

Het NIP wil niet inhoudelijk ingaan op de beoordeling door de tuchtrechter van het optreden van Kaat Bollen. Het gaat hier immers om het onafhankelijke oordeel van een door de Belgische overheid ingesteld tuchtrechtelijk orgaan. De taak van de Psychologencommissie is vergelijkbaar met die van de op de Wet BIG gestoelde Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg die in Nederland het wettelijk tuchtrecht uitvoeren.

In de eerste plaats beoordeelt het tuchtcollege de ontvankelijkheid van de klacht, voorwaarde is dat de psycholoog een BIG-registratie heeft en zich begeeft op het terrein van de individuele gezondheidszorg.

In de tweede plaats is relevant of het handelen van de beroepsbeoefenaar valt onder een van de twee wettelijke tuchtnormen. Bepaalde gedragingen in de privésfeer, namelijk wanneer de beroepsbeoefenaar zich niet gedraagt ‘zoals een goed beroepsbeoefenaar betaamt’ kunnen onder de tweede tuchtnorm vallen (artikel 47 Wet BIG), die recent is verruimd. Dit optreden kan beoordeeld worden, voor zover dit volgens de tuchtrechter voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en dus direct verband houdt met de beroepsuitoefening. In lijn met eerdere jurisprudentie in Nederland moet daarbij vooral worden gedacht aan bepaalde ernstige strafbare feiten.

De Beroepscode van het NIP spreekt psychologen alleen aan op het beroepsmatig handelen, dit begrip is ruim omschreven: ‘wanneer de psycholoog optreedt in de hoedanigheid of functie van psycholoog of gebruikt maakt van de aanduiding psycholoog’. Dit beperkt zich niet tot de professionele relatie maar kan ook gaan over het optreden van psychologen in de media. Toch lijkt het niet erg waarschijnlijk dat gedragingen die zich uitsluitend in de privésfeer van de psycholoog afspelen door de tuchtrechter tot het beroepsmatig handelen zouden worden gerekend. Dat wil echter niet zeggen dat er ook daaraan geen grenzen zouden mogen worden gesteld.

Psychologen dienen zich volgens de code te onthouden van gedragingen waarvan zij weten of redelijkerwijs kunnen voorzien dat deze het vertrouwen in de wetenschap van de psychologie, de psychologiebeoefening of in collega’s kunnen schaden. De beroepsethische discussie zal vooral in de beroepsgroep zelf moeten worden gevoerd, zoals ook de Vlaamse Vereniging voor Klinisch Psychologen (VVKP) bepleit. De beroepscode nodigt psychologen uit om zich te bezinnen op de eigen beroepsuitoefening. Het collegiaal appel roept op om elkaar daarop zo nodig aan te spreken, bij voorkeur voordat wordt overwogen om een klacht tegen een collega in te dienen.