Gezond verstand - Gastblog Hans Koot

“Jonge, ge verlêst oe verstand”, zei mijn moeder regelmatig als ik me weer eens met een boek in een hoekje van onze te kleine kamer genesteld had. Ze had gelijk: je ‘gezond verstand’ wordt er niet beter van als je leest en dat is vaak maar goed ook.

Al in 1974 lieten Tversky en Kahneman zien dat we in veel situaties slecht zijn in het inschatten van kansen en dat ons gezonde verstand, dat wil zeggen onze standaardmanieren van oordeelsvorming vaak goed werken, maar ook nogal eens leiden tot inschattingsfouten. Voor wie daarvan nog niet overtuigd is leze het schitterende Thinking, Fast and Slow (2011) van Daniel Kahneman.

 

Het belang van kennis

Vooral bij ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken is het erg handig als we ons oordeel proberen te onderbouwen met kennis. Nu heeft ieder met veel praktijkervaring het idee dat ‘ie al veel kennis heeft. Hoewel dat zo mag zijn, is veel van die kennis vergaard in beperkte niches en de vraag is dan ook hoe generaliseerbaar die is.

Zo stelde onlangs neuroloog Rien Vermeulen in Trouw dat psychiaters de wachtlijsten in de ggz kunnen oplossen. Zijn voorstel was psychiaters aan de poort van ggz-instellingen te zetten om verwijzingen te beoordelen, vooral omdat in zijn ervaring – kort gezegd – psychologen er tot nu toe weinig van gebakken hebben. Gelukkig was ons nieuwe bestuurslid Aart Franken er als de kippen bij om hem van repliek te dienen, gebaseerd op feitelijke ontwikkelingen: Opleiden van psychologen helpt de ggz (Trouw, 2-8-2018).

 

De vraag achter de vraag

Ik vraag me altijd af: heeft dat nou zin, ongevraagd reageren op dit soort ongevraagde stukken en daarmee het publieke debat over belangrijke aangelegenheden proberen te beïnvloeden. Daarin voel ik me gesteund door Melanie Peters, directeur van het Rathenau Instituut. Zij merkt op dat nu steeds meer beleidsverantwoordelijkheden op lokaal niveau zijn komen te liggen, gemeenten serieus op zoek zijn naar kennis voor verantwoord beleid.

Kennis voor het gemeentelijk beleidsniveau en de praktijk verschilt echter nogal eens van de kennis die aan universiteiten of door de landelijke overheid wordt geproduceerd. Peters stelt dan ook dat misschien nog wel belangrijker dan data en kennis als zodanig is, de moed te hebben om vragen te stellen (zie: Wethouders en raadsleden, durf te vragen). Te onderzoeken wat de vraag achter de vraag van burgers is en op geleide daarvan met bruikbare kennis te komen. Als het gaat om psychologische kennis ligt hier wat mij betreft een belangrijke taak voor het NIP: ga na wat er in het actuele of aankomende publieke debat aan kennis nodig is en lever die.

 

Zo kan het ook: SRCD

De Society for Research in Child Development (SRCD) laat zien hoe dat kan. Zij ontwierp een project waarin in korte bulletins cutting-edge wetenschappelijke informatie wordt bijeengebracht om te gebruiken bij de vorming van besluiten op het gebied van jeugdbeleid, met name als die onderdeel uitmaken van discussie over wetsvorming in het Amerikaanse congres. De bulletins worden geschreven door inhoudelijke experts, grondig gereviewd en qua taalgebruik aangepast voor communicatie naar het lekenpubliek. Vervolgens worden ze aangeboden aan elk bureau in het congres dat met het betreffende onderwerp bezig is en aan belangengroeperingen en andere stakeholders, vergezeld van een uitnodiging om een en ander ook mondeling door te nemen.

Nu had de SRCD (tot voor kort!) een goede ingang tot beleidsorganen. Een van haar leden, Martha Erickson, zat als co-chair van het Presidential Initiative on Children, Youth & Families regelmatig met vice-president Al Gore aan tafel om kennis over de jeugd en haar ontwikkeling te delen.

Hans KootIn Nederland is het NIP nu aan zet om op vergelijkbare manier kennis te gaan verzamelen en te verspreiden.

Als we goed luisteren naar de vraag achter de vraag – en goed timen – gaan de Nederlandse beleidsmakers die kennis misschien ook nog gebruiken.

 

Hans Koot
Algemeen Bestuur